The Geld.

Douwe Dekkers

Cover Image for Douwe Dekkers
K.P.
K.P.

Het was zondagmiddag en Bert had eindelijk gedoucht. Hij was zich aan het afdrogen toen Josefien in paniek de badkamer in stormde.

‘Douwe heeft een slak in zijn mond gedaan en nu stikt ie!’
Bert wist meteen dat Josefien geen grapje maakte. Ze maakte nooit grapjes.
‘Kom snel!’
Bert sloeg de handdoek om zijn middel en rende achter zijn dochter aan. Alle grote handdoeken had hij gister in de was gedaan, dit was zo’n kleine van vroeger, eentje die hij allang weg had willen gooien. Hij hoopte dat Douwe en Josefien in zijn achtertuin aan het spelen waren.
‘Hij zit bij hem in de tuin, kom!’
Waarom kunnen zijn eigen ouders hem niet helpen, vroeg Bert zich af terwijl hij achter Josefien aan rende, de deur uit, de straat op, zijn handdoekje krampachtig om zijn middel geklemd. Hij kon niet op volle snelheid sprinten, terwijl elke seconde telt als iemand aan het stikken is. Later zou hij zich afvragen of hij zijn eigen naaktheid en de bijbehorende schaamte belangrijker had gevonden dan het leven van Douwe.
Ze renden de oprit van de familie Dekkers op, de poort naar de achtertuin door en ja hoor, daar zat Douwe, op zijn hurken, blauw aangelopen, kokhalzend, middenin het perfect gemaaide gazon. Hij keek op, Bert zou de blik van Douwe nooit meer vergeten. Zijn grote blauwe ogen schreeuwden pure doodsangst. Hij knielde naast hem, er kwam alleen nog wat zacht gegorgel uit zijn keeltje. Bert pakte Douwes onderkaak in zijn linkerhand en trok deze naar beneden zodat hij in zijn mond kon kijken. Zijn gezichtje was inmiddels grijs geworden en de glans in zijn ogen begon te verdwijnen. Bert zag niets. De slak zat veel te diep. Er moest nu snel gehandeld worden. Hij ging achter Douwe zitten, vouwde zijn handen om zijn middel, tastte even af, zocht de onderkant van de ribben, en begon de opwaartse bewegingen te maken die hij ooit in een film had gezien. Hij was bang dat hij Douwes ribben zou breken, twijfelde een moment, besefte toen dat gebroken ribben een klein offer zouden zijn voor het leven van Douwe, en ging door.
‘Papa wat doe je!? Douwe gaat dood!’
Josefien probeerde zijn armen los te rukken. Bert gaf haar een harde duw waardoor ze in het gras viel. Ze begon te huilen. Bert haalde diep adem. Dit ging niet goed. Hij herpositioneerde zijn armen, pakte met zijn ene hand zijn andere pols vast, en na drie krachtige bewegingen schoot de slak uit Douwes keel.
Douwe zag er niet goed uit. De kleur in zijn gezicht bleef grijs, zijn ogen bleven dof, het ademhalen ging nog steeds gepaard met gegorgel. Bert keek naar de veranda van de familie Dekkers.
‘Zijn de ouders van Douwe niet thuis?’
Josefien bleef huilen en zei niets.
Bert stond op, pakte Douwe in zijn armen en liep naar huis. Het handdoekje bleef achter op het gazon.

Het leek een eeuwigheid te duren voordat de ambulance er was, en al die tijd zat Douwe in een tuinstoel, met raspende ademhaling en een gezicht waar de kleur veel te langzaam in terugkeerde. Het ergst waren zijn ogen, hij keek dwars door Bert heen, het was een verschrikkelijk gezicht. De ambulancebroeder maakte het er niet beter op. ​Hoelang duurde het stikken? ​Bert wist het niet, de tijd was nog nooit zo langzaam gegaan en bovendien was hij er niet vanaf het begin bijgeweest, iets zinnigs kon hij er niet over zeggen. De ambulancebroeder had hem kort aangekeken met een blik die verraadde dat het wel eens foute boel zou kunnen zijn.

Bert had Josefien bij buren afgezet en daarna aangebeld bij de familie Dekkers, maar die waren spoorloos. Hij was meegegaan in de ambulance, het was een vreselijke rit geweest. Dat hulpeloze kinderlijfje, zijn opengesperde ogen, het zuurstofmasker, het stond Douwe niet. De apparatuur was te groot. Gemaakt voor volwassenen, niet voor Douwe Dekkers. Hij had eventjes het slappe handje van Douwe vastgepakt, maar dat voelde raar, alsof hij in een slechte film zat.

In het ziekenhuis waren de ouders van Douwe langs Bert gerend zonder hem aan te kijken, twee radeloze mensen in blinde paniek. Later had Bert gehoord dat ze een fietstocht hadden gemaakt en dat Douwe niet mee wilde, hij wilde met Josefien spelen, hij hield niet van fietsen. Hij zou na die dag nooit meer op een fiets zitten, het zuurstoftekort had veel te lang geduurd. Douwe zou de rest van zijn leven in een rolstoel doorbrengen. Bert was vreselijk bang geweest voor de reactie van de ouders van Douwe, maar die waren veel te druk met de praktische kant van een gehandicapt kind, en waarschijnlijk wisten zij ook wel dat Douwe het niet eens had gehaald zonder het ingrijpen van Bert. Ze waren verhuisd naar het oosten van het land, naar een woning zonder trappen. Josefien wilde Douwe graag bezoeken, maar dat leek Bert een slecht idee.

Twintig jaar later zag hij Douwe op tv, in een talkshow. Hij zat nog steeds in een rolstoel, hij leek geen vijfentwintig maar veertig. Douwe was een plaatselijke beroemdheid geworden, hij schilderde met de hand die het nog deed, en niet onverdienstelijk, de doeken leverden duizenden euro’s op, het had vermoedelijk te maken met de tijdsgeest.

De dag nadat Douwe was gestikt kwam Josefien de keuken ingelopen. Ze had een slak in haar hand. ​‘Dit is de slak die Douwe had ingeslikt.​‘ Bert was boos geworden, het was waarschijnlijk niet eens dezelfde slak, wat moest ze daar nou mee. Ze was huilend weggelopen. Die avond kwam hij erachter dat ze de slak op haar kamer bewaarde in een dichte jampot met wat stukjes sla. Samen hadden ze gaatjes in de deksel geprikt. Een paar dagen later was de slak alsnog dood. Ze hadden hem begraven, dat leek Josefien een goed idee. En waarom niet, ook een slak verdient een waardig einde.


Meer geld

Cover Image for Algiers

Algiers

R.H.
R.H.
Cover Image for Bezit

Bezit

K.P.
K.P.